De rekensom achter Bitcoin is fundamenteel veranderd, en dat is slecht nieuws voor iedereen die op een herhaling van 2011 hoopt. CryptoQuant-oprichter Ki Young Ju liet met cijfers zien dat elke nieuwe stierenmarkt exponentieel meer geld nodig heeft om een steeds kleinere procentuele stijging te produceren. Wat volgt is scherp: een volgende parabolische run vraagt waarschijnlijk meer dan 1 biljoen dollar aan nieuw, vooral institutioneel kapitaal.
Kerncijfers
- Instroom deze cyclus: circa 697 miljard dollar voor een winst van 689%
- Kapitaal nodig voor volgende parabool: meer dan 1 biljoen dollar
- Marktwaarde Bitcoin: circa 1,2 biljoen dollar, goud staat op circa 27 biljoen dollar
- BTC-koers: 62.431 dollar
Het idee is minder abstract dan het klinkt. Analysebedrijf CryptoQuant mat per stierenmarkt hoeveel vers geld erin stroomde en welke koerswinst dat opleverde. In de cyclus van 2011 was ongeveer 2,8 miljard dollar aan netto-instroom genoeg voor een rally van grofweg 55.000%. In 2015 kostte een winst richting 10.000% al zo’n 69 miljard dollar. De cyclus van 2018 vroeg circa 365 miljard dollar voor ongeveer 2.000%. En deze cyclus, die sinds 2022 loopt, absorbeerde ongeveer 697 miljard dollar en leverde 689% op.
Elke dollar doet steeds minder
Waar het echt inzichtelijk wordt, is bij de simpelste maatstaf: hoeveel geld heb je nodig om de prijs te verdubbelen? In 2011 was daar ongeveer 5 miljoen dollar aan verse instroom voor genoeg. Deze cyclus kostte dezelfde verdubbeling zo’n 101 miljard dollar. Dat is geen detail, maar de kern van het verhaal.
De cijfers zijn gebaseerd op de realized cap, een maatstaf die elke munt waardeert tegen de prijs waarvoor die voor het laatst bewoog in plaats van de huidige koers. Voor wie net begint: het is een ruwe schatting van hoeveel geld er daadwerkelijk in Bitcoin is gaan zitten, en dus een betere thermometer dan de nominale marktkap die door speculatie kan opblazen.
| Cyclus | Netto-instroom | Koerswinst |
|---|---|---|
| 2011 | circa 2,8 miljard dollar | ongeveer 55.000% |
| 2015 | circa 69 miljard dollar | bijna 10.000% |
| 2018 | circa 365 miljard dollar | ongeveer 2.000% |
| 2022 tot nu | circa 697 miljard dollar | 689% |
Ju ziet geduld, geen top
Belangrijk detail: Ju presenteert dit niet als een teken dat de top nabij is, maar als een pleidooi voor geduld. Zijn stelling is dat Bitcoin volwassen moet worden als bezitting, niet dat het uitgespeeld is. “Bitcoin needs to be a core macro asset, not just a retail-driven ETF trade”, schreef hij, oftewel: Bitcoin moet een kern-macrobezitting worden, niet slechts een door particulieren gedreven ETF-handeltje. Alleen als het meer dan 1 biljoen dollar aan realized capital kan opnemen, is een nieuwe parabool volgens hem mogelijk, en dat vraagt om institutionele adoptie ver voorbij het huidige niveau. Hij wijst daarbij op staatsfondsen en pensioenfondsen als het type geld dat de schaal van de vraag echt kan veranderen.
Het probleem met de timing
Dat argument valt op een ongemakkelijk moment. De Amerikaanse spot-Bitcoin-ETF’s zagen de afgelopen maand recorduitstroom, en Bitcoin sloot de eerste jaarhelft af in het rood. De particuliere stroom die de these juist achter zich wil laten, loopt dus in de verkeerde richting in plaats van dat het de institutionele diepte opbouwt waar het om vraagt. CryptoAdventure meldt dat er tussen 22 en 26 juni ongeveer 1,79 miljard dollar uit de spot-ETF’s vertrok, de slechtste weekuitstroom ooit gemeten.
Tegelijk kopen grote spelers wel bij: whales legden in twee weken tijd 16,7 miljard dollar aan Bitcoin in, zelfs terwijl de ETF’s een recordbedrag verloren. Dat laat zien dat de vraag naar diepe zakken niet volledig is opgedroogd, alleen niet via het gereguleerde kanaal dat Ju’s these nodig heeft.
De ruimte om te groeien is er in theorie wel. Goud vertegenwoordigt een marktwaarde van rond de 27 biljoen dollar, meer dan twintig keer die van Bitcoin. Wie Bitcoin als macrobezitting ziet, wijst graag naar dat verschil. Maar de sceptische lezing is simpeler: dalende rendementen per dollar horen nu eenmaal bij elke bezitting die groeit, want een grotere basis beweegt procentueel minder, ongeacht wie er koopt. En niets garandeert dat het institutionele geld arriveert op de schaal die het optimistische scenario vereist.













