Een groep gebruikers en schuldeisers van de ingestorte cryptobeurs FTX heeft een rechtszaak aangespannen tegen het Silicon Valley-advocatenkantoor Fenwick & West. In de claim, die volgens berichtgeving neerkomt op een bedrag van ongeveer 525 miljoen dollar, stellen de eisers dat het kantoor een rol heeft gespeeld bij het mogelijk maken en verhullen van frauduleus handelen binnen het FTX-concern. De zaak past in een bredere golf aan civiele procedures waarin niet alleen bestuurders, maar ook externe dienstverleners rond FTX onder een vergrootglas liggen.
Volgens de aanklacht zou Fenwick & West jarenlang juridische ondersteuning hebben geleverd aan entiteiten die verbonden waren aan FTX en aan gerelateerde bedrijven. De eisers beweren dat het kantoor daarbij signalen van misstanden had kunnen of moeten herkennen, en dat het desondanks diensten bleef verlenen. In de kern komt het verwijt neer op het idee dat juridische en compliance-achtige begeleiding gebruikt werd om bedrijfsstructuren op te zetten en in stand te houden, terwijl die structuren volgens de eisers mede dienden om klanten en investeerders te misleiden.
In het type zaak dat nu wordt gevoerd, draait het vaak om de vraag waar de grens ligt tussen “reguliere juridische dienstverlening” en het actief bijdragen aan onrechtmatig gedrag. Eisers proberen dan aannemelijk te maken dat een adviseur niet slechts passief documenten opstelde, maar feitelijk een facilitator was: iemand die met kennis van zaken hielp bij de inrichting van constructies, het afschermen van informatie of het creëren van een schijn van legitimiteit. Fenwick & West zal naar verwachting juist aanvoeren dat het kantoor handelde binnen de normale rol van advocaat, dat vertrouwelijkheid en cliëntinstructies leidend zijn, en dat eventuele fraude primair bij FTX zelf lag.
De claim van honderden miljoenen is bovendien bedoeld om een deel van de verliezen van gedupeerde gebruikers te compenseren. Na het faillissement van FTX bleek dat klanttegoeden op grote schaal niet beschikbaar waren zoals men dacht, waarna een langdurig traject van herstructurering en terugvordering startte. In dat kader proberen schuldeisers op meerdere fronten geld terug te halen: via faillissementsprocedures, schikkingen, en civiele claims tegen partijen die volgens hen profiteerden van of bijdroegen aan de gang van zaken.
Het betrekken van een advocatenkantoor is daarbij juridisch en strategisch opvallend. Zulke partijen hebben vaak betere verzekeringsdekking en diepere zakken dan individuele medewerkers, waardoor ze in theorie een relevante bron van verhaal kunnen zijn. Tegelijk is de bewijslast doorgaans zwaar: eisers moeten concreet onderbouwen welke handelingen onrechtmatig waren, welke kennis het kantoor had of had moeten hebben, en hoe die handelingen direct verband houden met de geleden schade. Ook kunnen er procesrechtelijke obstakels spelen, zoals bevoegdheidskwesties en discussies over geheimhoudingsplicht.
De uitkomst van deze rechtszaak kan verder reiken dan FTX alleen. Als de rechter oordeelt dat externe adviseurs sneller aansprakelijk zijn bij het faciliteren van dubieuze bedrijfspraktijken, kan dat gevolgen hebben voor hoe advocatenkantoren en andere professionele dienstverleners in de cryptosector cliënten screenen, dossiers documenteren en risico’s afwegen. Voor gedupeerden is de procedure vooral een nieuwe poging om compensatie af te dwingen; voor de sector is het opnieuw een signaal dat de nasleep van FTX nog lang niet voorbij is.













